leegte- toestand van een streek/een ruimte, niets te bevatten
Zustand einer Gegend/eines Raumes, nichts zu enthalten
Die Leere der vor ihnen liegenden Landschaft erschreckte sie.
De leegte van het voor hen liggende landschap joeg hun angst aan.
„Die Verdunkelung des Himmels, von Mallarmé und Rimbaud betrieben, hat eine Leere hinterlassen, eine Sehnsucht, die durch die Fülle der Welt nicht aufzuwiegen zu sein scheint.“
„De verduistering van de hemel, door Mallarmé en Rimbaud bewerkstelligd, heeft een leegte achtergelaten, een verlangen dat door de volheid van de wereld niet op te wegen lijkt te zijn.“
2
innerlijke leegte- gevoel van een persoon, niets te hebben dat hem vervult
Gefühl einer Person, nichts zu haben, das sie erfüllt
„Es muss eine gewaltige Leere gewesen sein, zu der sich Leopolds Jugend allmählich aushöhlte.“
„Het moet een geweldige innerlijke leegte zijn geweest, waartoe Leopolds jeugd zich geleidelijk uitholde.“
„Der bestiegene Berg verliert sein Numinosum, das so faszinierte. Er hinterlässt eine innere Leere.“
„De beklommen berg verliest zijn numineuze kracht, die zo fascineerde. Hij laat een innerlijke leegte achter.“