„›Hat gerade angerufen. Er ist unterwegs. Wahrscheinlich nervös geworden. Setz dich. Ich hab dir was zu trinken gemacht. Dein Lieblingsdrink.‹“
“‘Hij heeft net gebeld. Hij is onderweg. Waarschijnlijk nerveus geworden. Ga zitten. Ik heb wat te drinken voor je gemaakt. Je lievelingsdrankje.’”
„Jenever war zwar nie sein Lieblingsdrink gewesen, aber das Verlangen danach, was er bewirken konnte, überfiel ihn, so dass er wie erstarrt vor der Anrichte stand.“
“Jenever was weliswaar nooit zijn lievelingsdrankje geweest, maar het verlangen ernaar en naar wat het kon bewerkstelligen overviel hem, zodat hij als verstijfd voor het dressoir stond.”