heute eher unübliche Sehhilfe, die aus einem Glas besteht und die am Auge eingeklemmt wird
Mein alter Onkel Waldemar trug beim Zeitunglesen stets ein Monokel.
Mijn oude oom Waldemar droeg bij het krantlezen altijd een monocle.
„Alsdann wurde man wohlwollend durch ein Monokel gemustert und den ausufernden Kiegserinnerungen des alten Herrn ausgesetzt, die man ergebenst über sich ergehen ließ.“
„Vervolgens werd men welwillend door een monocle opgenomen en blootgesteld aan de uitdijende oorlogsherinneringen van de oude heer, die men gelaten over zich heen liet komen.“