Person oder Bezeichnung, deren Name zur Benennung einer anderen Person oder Sache herangezogen wird
„Kontrastreich wie ihr Namenspate David Bowie wirkt die Riesenkrabbenspinne Heteropoda davidbowie, deren besondere Gesichtszeichnung sich markant von der leuchtend gelben Grundfärbung der in Malaysia lebenden Spinne abhebt.“
„Contrastrijk als haar naamgever David Bowie oogt de reuzenkrabspin Heteropoda davidbowie, waarvan de bijzondere gezichtstekening duidelijk afsteekt tegen de lichtgele grondkleur van de in Maleisië levende spin.“
„Die Bismarcks sind in Papua-Neuguinea, einst teilweise deutsche Kolonie, präsent – als Namenspaten: Das Bismarck-Archipel zählt 200 Inseln und liegt nördlich der Hauptinsel. […]“
„De Bismarcks zijn in Papoea-Nieuw-Guinea, ooit deels Duitse kolonie, aanwezig – als naamgevers: de Bismarck-archipel telt 200 eilanden en ligt ten noorden van het hoofdeiland. […]“