„Wohin die Leute drängen, drängt man ebenfalls; kauft jemand Wollsocken, kauft man auch welche; nimmt sich der Nebenmann eine Wurst, sagt man ‘bitte mit Senf‘, der Nebenmann wundert sich.“
„Waar de mensen heen dringen, dringt men ook heen; koopt iemand wollen sokken, koopt men er ook; neemt de naastman een worst, zegt men ‘graag met mosterd’, de naastman verbaast zich.“
„Gleich darauf bemerkte ich jenes fast unhörbare Geräusch, welches ein Ungeübter für das Wehen eines ganz, ganz leisen Lüftchens halten würde - sie kamen! ›Aufgepaßt!‹ flüsterte ich meinem Nebenmanne zu!“
„Meteen daarna merkte ik dat bijna onhoorbare geluid op, dat een ongeoefende voor het waaien van een heel, heel zacht briesje zou houden - ze kwamen! ‘Opgelet!’ fluisterde ik mijn naastman toe!“