„Nelkensträuße erfüllten die Luft mit dem süßen Duft von Verwesung.“
“Anjerboeketten vulden de lucht met de zoete geur van verwering.”
„Die Menschen, denen sie gehörten, waren vor langer Zeit verstorben, dennoch lagen frische Blumen bei den Steinen, Nelkensträuße und Töpfe mit Begonien, hier und dort auch sommergrüne Büsche.“
“De mensen aan wie zij toebehoorden waren lang geleden overleden, toch lagen er verse bloemen bij de stenen, anjerboeketten en potten met begonia’s, hier en daar ook zomergroene struiken.”