„Sie trug eine abgewetzte Nietenhose und eine erdbraune Jacke mit Fransen an den Ärmeln.“
„Zij droeg een versleten spijkerbroek en een aardbruin jack met franjes aan de mouwen.“
„Ein großer schlaksiger Junge in schwarzen Nietenhosen und Lederjacke hatte bereits den nächsten Stuhl in den Händen, um ihn durch die Luft zu schleudern.“
„Een grote slungelige jongen in een zwarte spijkerbroek en een leren jack had al de volgende stoel in handen om die door de lucht te smijten.“