„Ich hatte meine Niethosen an, dazu Wildlederschuhe und einen dicken schwarzen Rollkragenpullover, hinter mir am Haken hing mein gesteppter Dederonanorak.“
„Ik had mijn spijkerbroek aan, daarbij suède schoenen en een dikke zwarte coltrui, achter mij aan de haak hing mijn gewatteerde Dederon-anorak.“
„Onkel Kuhnert hat mir ein Paar Gummistiefel vorgekramt, die prima zu meinen Niethosen passen.“
„Oom Kuhnert heeft voor mij een paar rubberlaarzen opgeduikeld, die prima bij mijn spijkerbroek passen.“