bovendeel- zich boven een gedeelte bevindend ander gedeelte
sich über einem Abschnitt befindlicher anderer Abschnitt
Im Oberteil des Gebäudes befinden sich die Büros.
In het bovendeel van het gebouw bevinden zich de kantoren.
„Beim Eingießen der Büchsen prüfe man erst, ob der Oberteil genau senkrecht in den Schnittstempel eingedrückt und ob der Abstreifer gerade zurückgeschraubt worden ist.“
“Controleer bij het ingieten van de bussen eerst of het bovendeel precies loodrecht in de snijstempel is gedrukt en of de afstroper recht is teruggeschroefd.”
2
topje- kledingstuk voor de bovenste helft van het lichaam
Kleidungsstück für die obere Hälfte des Körpers
Kannst du mir bitte mal das Oberteil geben?
Kun je me even het topje aangeven?
„Im Fitnessstudio sind junge Frauen in knappen Oberteilen keine Seltenheit.
“In de fitnessstudio zijn jonge vrouwen in korte topjes geen zeldzaamheid.”