jemand, der in einem bestimmten Bereich für Ordnung sorgen soll; scherzhaft vor allem für Polizist
„Der Wächter des Platzes wechselte häufig, weil kein halbwegs normaler Ordnungshüter dieses Zentrum einer entfesselten Jugend länger als höchstens ein Vierteljahr ertragen konnte.“
"De bewaker van het plein wisselde vaak, omdat geen enkele min of meer normale ordebewaker dit centrum van een ontketende jeugd langer dan hoogstens een kwartaal kon verdragen."
„Südafrika wird zu einem Polizeistaat, in dem Ordnungshüter willkürliche Verhaftungen vornehmen, Generäle und Geheimdienst immer mehr Einfluss gewinnen.“
"Zuid-Afrika wordt een politiestaat waarin ordebewakers willekeurige arrestaties verrichten, generaals en geheime dienst steeds meer invloed winnen."