meist akademisch gebildete, nicht angestellte Person, deren Forschung privat motiviert und finanziert ist
„In seinen späten Jahren widmete er sich als Privatgelehrter und Etymologe der Philosophie und Theologie.“
„In zijn late jaren wijdde hij zich als privé-geleerde en etymoloog aan de filosofie en theologie.“
„Ab 1831 lebte er zurückgezogen als Privatgelehrter in Frankfurt; dort ist er 1860 gestorben.“
„Vanaf 1831 leefde hij teruggetrokken als privé-geleerde in Frankfurt; daar is hij in 1860 gestorven.“