ein Adverb, das aus da(r), hier und wo(r) + Präposition besteht und als Ersatz eines präpositionalen Satzglieds verwendet werden kann.
Pronominaladverbien sind Wörter wie „dazu“, „hierzu“, „wozu“ und „darüber“, „worüber“. Pronominaladverbien können wie Pronomen als Anapher verwendet werden.
Pr nominale bijwoorden zijn woorden als “daartoe”, “hiertoe”, “waartoe” en “daarover”, “waarover”. Pronominale bijwoorden kunnen net als voornaamwoorden als anafoor worden gebruikt.
„Pronominaladverbien sind feste Lexeme und können nach der geltenden Norm nicht in ihre Bestandteile zerlegt werden, also Satzklammern bilden.“
„Pronominale bijwoorden zijn vaste lexemen en kunnen volgens de geldende norm niet in hun bestanddelen worden opgesplitst, dus geen zinsbeugels vormen.“