„Nach dem Essen stellte mir der Kellner ein Glas Raki vor die Nase.“
„Na het eten zette de ober mij een glas raki voor de neus.“
„Er blickt auf und sieht Batool, Ekrams und Melanias Tochter, mit einer Flasche Raki und zwei Schnapsgläschen aus dem Lokal kommen.“
„Hij kijkt op en ziet Batool, Ekrams en Melania's dochter, met een fles raki en twee borrelglaasjes uit het café komen.“