„Hafer und Gerste ließen sich als widerstandsfähige Sorten überall anbauen, während Weizen und Spelt im wärmeren Süden und Westen besser gediehen als im Norden und Osten, wo der Roggenanbau dominierte.“
„Haver en gerst lieten zich als weerbare soorten overal verbouwen, terwijl tarwe en spelt in het warmere zuiden en westen beter gedijden dan in het noorden en oosten, waar de roggeteelt domineerde.“