„Sie brachte die Pfannkuchen, Butter, Rohrzuckersirup und eine Tasse schwarzen Kaffee in das Zimmer, in dem die junge Frau sich eine Show im Fernsehen ansah.“
„Ze bracht de pannenkoeken, boter, rietsuikersiroop en een kop zwarte koffie naar de kamer waarin de jonge vrouw naar een show op televisie keek.“