„Ich sehe ihn am Rosenstrauch stehen.“
„Ik zie hem bij de rozenstruik staan.“
„Stephen schloss das Haus seines Vaters auf, ein leuchtend violettes Gebäude, umgeben von toten Rosensträuchern.“
„Stephen opende het huis van zijn vader, een stralend paars gebouw, omgeven door dode rozenstruiken.“