Auf einer Safari sollte man Kaffernbüffel, Elefant, Löwe, Leopard und Nashorn – die „Big Five“ – gesehen haben.
Op een safari moet men kafferbuffel, olifant, leeuw, luipaard en neushoorn – de “Big Five” – gezien hebben.
„Er, Robert Wilson, hatte auf Safari immer eine Zweierpritsche dabei, man konnte ja nie wissen, was sich so ergab.“
“Hij, Robert Wilson, had op safari altijd een tweepersoons veldbed bij zich, je kon immers nooit weten wat er zou gebeuren.”