schmale Schlafgelegenheit, oft auf Booten oder Schiffen, in Wohnmobilen oder Lastwagen
„Die kniete auf der Sitzbank, schob den Vorhang der Schlafkoje hinter der Sitzbank zurück und beugte ihren Oberkörper hinein.“
„Die knielde op de zitbank, schoof het gordijn van de slaapkooi achter de zitbank terug en boog haar bovenlichaam erin.“
„Die ganzen Aufregungen des Tages waren mir bald zu viel geworden, die Müdigkeit übermannte mich, und ich stieg nach oben in meine Schlafkoje.“
„Al de opwindingen van de dag waren mij al snel te veel geworden, de vermoeidheid overmande mij, en ik klom naar boven in mijn slaapkooi.“