„Ich habe plötzlich eine Schreckensvision.“
„Ik heb plotseling een schrikvisioen.“
„Was nun kam, hatte Perlmann so oft als Schreckensvision vor sich gesehen, daß es vom vielen Vorstellen gleichsam abgenutzt war.“
„Wat nu kwam, had Perlmann zo vaak als schrikvisioen voor zich gezien dat het door het vele voorstellen als het ware versleten was.“