Als sie vom Einkaufen zurückkamen, warf sie den Schuhkarton in den Müll.
Toen ze terugkwamen van het winkelen, gooide ze de schoenendoos in de vuilnis.
„Er ging voraus, durch einen Raum mit Regalen voller Schuhkartons, und hielt ihr dann eine Tür auf zu einem Raum mit einem Esstisch und einem Schreibtisch.“
„Hij liep voorop, door een kamer met planken vol schoenendozen, en hield haar toen een deur open naar een kamer met een eettafel en een bureau.”