schoonbroer- broer van de echtgenoot of echtgenote
Bruder des Ehepartners
Für mein' Schwager hier auch 'ne Currywurst.
Voor m’n schoonbroer hier ook een curryworst.
„Sein Schwager hielt bereits in der Kirche eine schöne Rede, in der er einen Wunsch des Verstorbenen erwähnte, den dieser noch auf dem Sterbebett zu Papier gebracht hatte.“
„Zijn schoonbroer hield in de kerk al een mooie toespraak, waarin hij een wens van de overledene noemde, die deze nog op zijn sterfbed op papier had gezet.“
2
zwager- mannelijke echtgenoot van de zus of van de broer
männlicher Ehepartner der Schwester oder des Bruders
„Sein Schwager hielt bereits in der Kirche eine schöne Rede, in der er einen Wunsch des Verstorbenen erwähnte, den dieser noch auf dem Sterbebett zu Papier gebracht hatte.“
„Zijn zwager hield in de kerk al een mooie toespraak, waarin hij een wens van de overledene noemde, die deze nog op zijn sterfbed op papier had gezet.“
„Nach Jahren hatte er mit seinem Schwager allein eines Nachmittags in der Gaststube gesessen und war plötzlich aufgesprungen und hatte getan, als hörte er etwas Schreckliches.“
„Na jaren had hij met zijn zwager op een middag alleen in de gelagkamer gezeten en was hij plotseling opgesprongen en had hij gedaan alsof hij iets vreselijks hoorde.“
Hoch auf dem gelben Wagen sitz' ich beim Schwager vorn.
Hoog op de gele wagen zit ik voorin bij de postkoetsier.
„Die für den Postillion in Süddeutschland auch übliche Bezeichnung »Schwager« ist eine Verballhornung des französischen Begriffs »Chevalier« beziehungsweise des schweizerischen Ausdrucks »Schewalger«.“
„De in Zuid-Duitsland voor de postiljon ook gebruikelijke benaming »Schwager« is een verbastering van de Franse term »chevalier« respectievelijk de Zwitserse uitdrukking »Schewalger«.“