Ein Sommergewitter zog auf, als wir uns am See entspannen wollten.
Er trok een zomeronweer op toen we ons aan het meer wilden ontspannen.
„Ein Wetterleuchten verriet, dass sich irgendwo im Norden ein Sommergewitter zusammenbraute.“
“Een weerlicht verraadde dat zich ergens in het noorden een zomeronweer samenpakte.”