stimmhafter Laut der Sprache, der den Silbengipfel bilden, also silbentragend/silbisch sein kann
In dem Plural "die Sonanten" [zoˈnantn̩] ist [n̩] ein Sonant.
In het meervoud „die Sonanten“ [zoˈnantn̩] is [n̩] een sonant.
„Die Sonanten (oder sonoren Konsonanten), allgemeinphonetisch durch das Fehlen oder Unterliegen des Geräuschanteils gegenüber der Stimmresonanz im Ansatzrohr gekennzeichnet, können nämlich Silbenträger sein…“
„De sonanten (of sonore consonanten), algemeen-fonetisch gekenmerkt door het ontbreken of ondergeschikt zijn van het geruisaandeel tegenover de stemresonantie in het aanzetstuk, kunnen namelijk lettergreepdragers zijn…“