bei Voll- und Neumond entstehende, besonders starke Gezeitenkräfte, wenn Sonne, Mond und Erde auf einer Geraden liegen
„Es war, als warte sie ohnmächtig darauf, dass eine Springflut kam und alles unter sich begrub.“
"Het was alsof ze machteloos wachtte tot er een springtij kwam en alles onder zich bedolf."
„Stand eine Springflut bevor, so konnte man sicher sein, er lag trotz Sturm und Wetter weit draußen am Deiche mutterseelenallein […].“
"Stond er een springtij voor de deur, dan kon men er zeker van zijn dat hij ondanks storm en weer ver buiten aan de dijk moederziel alleen lag […]."