„Auf Teerstraßen pfiffen sie, auf Steinpflaster donnerten sie dumpf.“
„Op asfaltwegen floten ze, op stenen bestrating denderden ze dof.“
„Sie setzte sich auf das Steinpflaster nieder vor den Fenstern des Bischofs, saß so mit ihren von Gicht gekrümmten Beinen, und der Kopf sank auf die Brust herab.“
„Ze zette zich neer op de stenen bestrating voor de vensters van de bisschop, zat zo met haar door jicht gekromde benen, en het hoofd zonk op de borst neer.“