Der Strichjunge traf seinen Freier auf der Bahnhofstoilette.
De tippeljongen trof zijn klant op het stationstoilet.
„Dass er sich gern als Strichjunge verkleidet in Tavernen herumtrieb und Kamelfersen aß, mag man dem Cäsaren verzeihen.“
„Dat hij zich graag als tippeljongen verkleed in kroegen rondhing en kamelenhielen at, mag men de keizer vergeven.“