löffelartiges Küchenwerkzeug, mit dem Suppe (oder andere flüssige Speisen) aus einem großen Gefäß in Suppenteller oder -tassen umgefüllt/portioniert werden kann
„Auf einem Herd stand ein großer Kochtopf, der hundert Suppenschöpfer voll Eintopf oder Suppefasste, in dem ein langstieliger Holzkochlöffel steckte, der aus dem schief aufgelegten Topfdeckelrand herauslugte.“
„Op een fornuis stond een grote kookpot die honderd soeplepels vol stoofpot of soep bevatte, waarin een houten kooklepel met lange steel stak die onder de scheef opgelegde dekselrand uitstak.“
„Jeweils 2 Esslöffel der Zutaten in eine Pfanne geben und anbraten, einen Suppenschöpfer Pfannkuchenteig darüber gießen und den Deckel auf die Pfanne setzen, dann wenden.“
„Telkens 2 eetlepels van de ingrediënten in een pan doen en aanbraden, een soeplepel pannenkoekenbeslag erover gieten en het deksel op de pan zetten, dan omdraaien.“