Flexions- oder Komparationsschema, bei dem die einzelnen Formen von unterschiedlichen Wortstämmen (durch Suppletion) gebildet werden
Die Steigerung (Komparation) von „gut“ ist ein Beispiel für ein Suppletivparadigma, in dem der Positiv „gut“ einen anderen Wortstamm aufweist als der Komparativ „besser“.
De vergroting (comparatie) van „goed“ is een voorbeeld van een suppletief paradigma, waarin de positief „goed“ een andere woordstam vertoont dan de comparatief „beter“.
Die Konjugation des Hilfsverbs „sein“ im Indikativ Präsens mit dem Formen „bin, bist, ist, sind, seid“ ist ebenfalls ein Beispiel für ein Suppletivparadigma.
De vervoeging van het hulpwerkwoord „zijn“ in de indicatief presens met de vormen „ben, bent, is, zijn, zijn“ is eveneens een voorbeeld van een suppletief paradigma.