bestimmter Sattel, auf dem Gepäck, Transportgut befestigt werden kann (ohne dass er als Sitz für einen Reiter dient)
„Sein Tragsattel war gerüstet; links Zelttuch, Decken, Patronen, der Helioapparat, Buschmesser, Kochgeschirr, rechts Lasten von Bittong, Milchdosen und Butterdosen, gedörrtem Gemüse, Wassersäcken, Mehl, Hefe und Kleidern.“
“Zijn pakzadel was bepakt; links tentdoek, dekens, patronen, het heliotoestel, kapmes, kookgerei, rechts lasten van bittong, melkblikken en boterblikken, gedroogde groente, waterzakken, meel, gist en kleren.”