Sie müssen ihn vor allem unzufrieden machen mit seinem Zustand der Unbildung, das heißt Hilflosigkeit.
U moet hem vooral ontevreden maken met zijn toestand van onontwikkeldheid, dat wil zeggen hulpeloosheid.
Bei völliger Unbildung, gröbster Roheit und gänzlicher Unempfänglichkeit für irgendeinen andern als den gemeinsten Genuß erhebt ihn keines seiner zahllosen Verbrechen über die Grenze des Einbruchs und des gewaltsamen Diebstahls.
Bij volledige onontwikkeldheid, grofste ruwheid en totale onontvankelijkheid voor enig ander dan het gemeenste genot verheft geen van zijn talloze misdaden hem boven de grens van inbraak en gewelddadige diefstal.