Auf dem Weg begegnete uns ein Viehtreiber.
Onderweg kwamen wij een veedrijver tegen.
„Die Männer in der Stadt, so sie nicht in den Krieg müssen, sind Viehtreiber und Rancharbeiter, sie tragen Stiefel und Baumwollhemden.“
„De mannen in de stad, voor zover zij niet naar de oorlog moeten, zijn veedrijvers en ranchwerkers, zij dragen laarzen en katoenen overhemden.“