„Der schöne Kranz gefiel wohl Allen,
„De mooie krans beviel wel allen,
„Zum gottgefälligen Büßerleben zogen sich Eremiten, Klausner und Inklusen in die Waldeinsamkeit zurück und lebten dort in Höhlen oder Hütten, vom Volk mit schaudernder Ehrfurcht bestaunt.“
„Voor een godgevallig boeteleven trokken eremieten, kluizenaars en inkluizen zich in de boseenzaamheid terug en leefden daar in holen of hutten, door het volk met huiverende eerbied aangestaard.“