„Auf dem Gras schimmerten Wassertröpfchen und der dunstige Horizont kündete von dem heraufziehenden Nebel.“
"Op het gras glinsterden waterdruppeltjes en de nevelige horizon kondigde de opkomende mist aan."
„Wassertröpfchen glitzerten an den Wänden, während ich den Windungen der Treppe ins Innere der Erde folgte.“
"Waterdruppeltjes glinsterden op de muren, terwijl ik de windingen van de trap naar het binnenste van de aarde volgde."