„Bei der Einführung kann es hilfreich sein, vom 1., 2., 3., 4. Fall oder vom Wer-, Wes-, Wem- und Wen-Fall zu sprechen.“
„Bij de invoering kan het nuttig zijn om van 1e, 2e, 3e, 4e naamval of van wer-, wes-, wem- en wen-val te spreken.“
„Man bezeichnet sie nach der Art, wie sie erfragt werden können, der Reihe nach als Wer-, Wessen-, Wem- und Wen-Fall […]“
„Men duidt ze naar de manier waarop ernaar gevraagd kan worden op volgorde aan als wer-, wessen-, wem- en wen-val […]“