„Sie flüchtet, lässt sich von einem Freund ihren Reisepass aus der Wohnung holen und ein Wertkartenhandy besorgen, hebt von ihrem Sparbuch 10.000 Euro ab und leert ihr Bankschließfach.“
„Zij vlucht, laat door een vriend haar paspoort uit de woning halen en een prepaidtelefoon bezorgen, haalt 10.000 euro van haar spaarboekje en leegt haar bankkluisje.“
„Ihren Augen nicht trauen wollte Frau P., als das Wertkartenhandy ihres Sohnes ein negatives Guthaben auswies.“
„Mevrouw P. wilde haar ogen niet geloven toen de prepaidtelefoon van haar zoon een negatief tegoed aangaf.“