„In diesem Augenblick fühlte er nichts anderes als einen unbestimmten Zorn, einen tiefen Widerwillen und den Beginn einer grenzenlosen Hoffnungslosigkeit.“
„Op dit ogenblik voelde hij niets anders dan een onbestemde woede, een diepe afkeer en het begin van een grenzeloze hopeloosheid.”
„Sie hatte sich bei der Arbeit niemals wohl gefühlt, aber jetzt trat zum Unbehagen plötzlich noch Widerwille hinzu.“
„Zij had zich bij het werk nooit prettig gevoeld, maar nu kwam bij het onbehagen plotseling nog afkeer.”