„Sie hielt ihm einen Wischlappen vors Gesicht.“
»Ze hield hem een dweil voor het gezicht.«
„Über den am wenigsten schmutzigen wurde ein Wischlappen gebreitet, damit Madame Bordin Platz nehmen konnte.“
»Over de minst vuile werd een dweil uitgespreid, opdat madame Bordin kon plaatsnemen.«