„Ihre Villa thronte, von einem Zedernhain geschützt, auf dem höchsten Hügel der Gegend.“
„Hun villa troonde, beschermd door een cederbosje, op de hoogste heuvel van de streek.“
„Ein Stück flussaufwärts gab es einen dichten Zedernhain; den steuerte er an.“
„Een stuk stroomopwaarts was er een dicht cederbosje; daar koerste hij op af.“