
optillen- iets van iets anders, bijvoorbeeld ook van een ondergrond of een onderdeel, afnemen
etwas von etwas anderem, zum Beispiel auch einer Unterlage oder einem Unterteil, herunternehmen
couperen- een deel van de kaarten van de stapel nemen
einen Teil der Karten vom Stapel nehmen
opstijgen- zich van de grond losmaken
sich vom Boden lösen
doordraaien- zich distantiëren, zich beter wanen, het contact met de grond verliezen, maat of verstand verliezen
sich distanzieren, sich etwas Besseres dünken, die Bodenhaftung verlieren, Maß oder Verstand verlieren
afhalen- geld van de rekening nemen
Geld vom Konto nehmen
afsteken- door contrast opvallen, tegen de achtergrond uitkomen
durch Kontrast auffallen, vor dem Hintergrund hervorstechen
opnemen- de telefoonhoorn opnemen; een telefoongesprek aannemen
den Telefonhörer abheben; ein Telefongespräch entgegennehmen
zinspelen op- op iets mikken, iets bedoelen
auf etwas zielen, etwas meinen