
verkopen- een bepaalde hoeveelheid waar verkopen
eine bestimmte Menge an Ware verkaufen
aftrekken- van de inkomsten respectievelijk de vastgestelde belasting aftrekken
von den Einnahmen bzw. der ermittelten Steuer abziehen
neerzetten- iets, bijvoorbeeld een zwaar voorwerp dat men juist draagt, neerzetten of neerleggen
etwas, zum Beispiel einen schweren Gegenstand, den man gerade trägt, hinstellen oder hinlegen
afzetten- uit een positie of een ambt ontslaan
aus einer Position oder einem Amt entlassen
zich verwijderen- zich verwijderen
(sich) entfernen
stoppen- de inname van een medicijn, de opvoering van een cultureel evenement beëindigen
die Einnahme eines Medikaments, die Aufführung eines kulturellen Ereignisses beenden
afsteken- een goed herkenbaar verschil met de omgeving vertonen
einen gut erkennbaren Unterschied zur Umgebung vorweisen
bezinken- naar de bodem zinken of laten zinken
zu Boden sinken (lassen)