
afstropen- iets van ergens met een gelijkmatige beweging losmaken (kledingstukken van het lichaam, bessen van de stelen, vuil van een oppervlak of dergelijke)
etwas von irgendwo mit einer gleichmäßigen Bewegung ablösen (Kleidungsstücke vom Körper, Beeren von den Stielen, Schmutz von einer Oberfläche oder Ähnliches)
afleggen- zich van iets bevrijden, losmaken (bijvoorbeeld van een bepaald imago, van een vooroordeel of een last)
sich von etwas befreien, lösen (zum Beispiel von einem bestimmten Image, von einem Vorurteil oder einer Last)
afstruinen- min of meer systematisch een gebied doorkruisen, afzoeken
mehr oder weniger systematisch ein Gebiet begehen, absuchen
afvegen- zijn zolen aan een deurmat, rooster reinigen
seine Schuhsohlen an einem Fußabtreter, Gitterrost reinigen
afwijken- van een ingeslagen richting enigszins afwijken (zonder concreet doel)
von einer eingeschlagenen Richtung etwas abweichen (ohne konkretes Ziel)