
aankomen- een plaats, een doel bereiken
einen Ort, ein Ziel erreichen
wennen- wennen aan een nieuwe omgeving, een nieuwe plaats of aan nieuwe levensomstandigheden
sich an eine neue Umgebung, einen neuen Ort oder an neue Lebensverhältnisse gewöhnen
aanslaan- op iemand, op een publiek op een bepaalde manier (goed, slecht) overkomen, ontvangen worden
auf jemanden, auf ein Publikum in bestimmter Weise (gut, schlecht) wirken, empfangen werden
aangenomen worden- bij iemand een baan vinden
bei jemandem eine Arbeitsstelle finden
opkunnen tegen- met iemand, iets klaarkomen, zich tegenover iemand, iets doorzetten
mit jemandem, etwas fertigwerden, sich gegenüber jemandem, etwas durchsetzen
aankloppen- steeds weer met een of ander verzoek bij iemand komen
immer wieder irgendein Anliegen an jemanden haben
overvallen- iemand plotseling bevangen
jemanden unvermittelt erfassen
raken- op een bepaalde manier op iemand inwerken
auf jemanden auf eine gewisse Art einwirken
belangrijk zijn- een wezenlijke betekenis (voor iemand) hebben
eine wesentliche Bedeutung (für jemanden) haben
afhangen- door iets bepaald zijn
durch etwas bedingt sein