Knoten, aus denen sich später Blätter oder Blüten entwickeln (Knospen), treiben/ansetzen
„beknospt, gemmatus; mit Knospen besetzt, mehrere Arten Salix, entwickeln ihre Knospen des nächsten Jahres im Herbste schon sehr weit, und heissen dann vorzugsweise: beknospt.“ (1823)
„beknopt, gemmatus; bezet met knoppen, meerdere soorten wilg ontwikkelen hun knoppen voor het volgende jaar in de herfst al heel ver, en heten dan bij voorkeur: beknopt.“ (1823)
Die Birken beknospen sich.
De berken krijgen knoppen.