Der Vater versprach seinem Sohn eine Belohnung, wenn er sich in der Schule Mühe gäbe.
De vader beloofde zijn zoon een beloning als hij zijn best zou doen op school.
„Dieser schickte in seiner Freude rasch den Schachjungen heim mit der Weisung, dem Boten des Priesters zwei Schweißtücher und eine Unze Silber als Belohnung zu geben.“
„Deze stuurde in zijn vreugde snel de schaakjongen naar huis met de opdracht de bode van de priester twee zweetdoeken en een ons zilver als beloning te geven.“