„Man hatte ihm die Zunge herausgerissen, er hatte nur noch einen blutverkrusteten Stumpf im Mund.“
„Men had hem de tong uitgerukt, hij had alleen nog een bloedbekorste stomp in zijn mond.“
„Aus glühenden Augenhöhlen und mit scharfen, blutverkrusteten Reißzähnen starrte es mich voll verdorbenem Hohn an, denn es wusste um mein unausweichliches Ende.“
„Uit gloeiende oogkassen en met scherpe, bloedbekorste roof tanden staarde het me vol verdorven hoon aan, want het wist van mijn onvermijdelijke einde.“