„Sie waren sich völlig gleich, bis hin zu den Scharten ihrer braunfleckigen Zähne, den Augenfältchen, den Runzeln an ihren dürren Vogelhälsen.“
“Ze waren volledig aan elkaar gelijk, tot aan de kerven in hun bruingevlekte tanden, de oogplooitjes en de rimpels aan hun magere vogelnekken toe.”
„Er hob eine braunfleckige Hand und zeigte auf die Ruine seines Gesichts.“
“Hij hief een bruingevlekte hand op en wees naar de ruïne van zijn gezicht.”