
botsen- meestal met een voertuig tegen een ander botsen
meist mit einem Fahrzeug mit einem anderen zusammenstoßen
crashen- grote koersverliezen lijden
große Kursverluste verzeichnen
kreuken- voorzien van een gekreukt/gekreukeld oppervlak
mit einer knittrigen/kräuseligen Oberfläche versehen
vastlopen- defect raken en niet meer functioneren
funktionsunfähig werden
doen crashen- een crash van iets veroorzaken
einen Absturz von etwas verursachen