
die- nominatief enkelvoud mannelijk van het betrekkelijk voornaamwoord der (die, das)
Nominativ Singular maskulin des Relativpronomens der (die, das)
wie- datief enkelvoud vrouwelijk van het betrekkelijk voornaamwoord der (die, das)
Dativ Singular feminin des Relativpronomens der (die, das)
hij- nominatief enkelvoud mannelijk van het aanwijzend voornaamwoord der/die/das
Nominativ Singular maskulin des Demonstrativpronomens der/die/das
haar- datief enkelvoud vrouwelijk van het aanwijzend voornaamwoord der/die/das
de (vrouwelijk)- vrouwelijk bepaald lidwoord in de nominatief en accusatief enkelvoud
weiblicher bestimmter Artikel im Nominativ und Akkusativ Singular
de (meervoud)- bepaald lidwoord in de nominatief en accusatief meervoud
bestimmter Artikel im Nominativ und Akkusativ Plural
het- nominatief en accusatief enkelvoud onzijdig van het bepaald lidwoord der
[1] Nominativ und Akkusativ Singular Neutrum des bestimmten Artikels der
van het- genitief enkelvoud van 'der' en 'das'
[1] Genitiv Singular von der und das
Dativ Singular feminin des Demonstrativpronomens der/die/das
die- welke (enkelvoud en meervoud)
welche (Singular und Plural)
zij- zij (enkelvoud en meervoud)
sie (Singular und Plural)
wiens- mannelijke en onzijdige genitief van het betrekkelijk voornaamwoord der, ook als deiktische tegenhanger van het bezittelijk lidwoord zijn
maskuliner und neutraler Genitiv des Relativpronomens der, auch als deiktische Entsprechung zum Possessivartikel sein
diens- mannelijke en onzijdige genitief van het aanwijzend voornaamwoord der, ook als lidwoord
maskuliner und neutraler Genitiv des Demonstrativpronomens der, auch als Artikelwort
aan de- datief enkelvoud van het bepaalde lidwoord der
[1] Dativ Singular des definiten Artikels der
aan het- datief enkelvoud van het bepaalde lidwoord das
[2] Dativ Singular des definiten Artikels das
de- definiet lidwoord (bepaald lidwoord)
definiter Artikel (bestimmtes Geschlechtswort)