ohne festes Ziel, ohne große Überlegung, ohne zu zögern (anfangen) irgendwohin reiten
„Während der Hauptmann und der Major einfach drauflosreiten wollten, überließ der Fähnrich seinem Pferd die Richtung.“
“Terwijl de kapitein en de majoor gewoon wilden losrijden, liet de vaandrig de richting aan zijn paard over.”
„Ich vertraute darauf, dass ein Pferd immer in seinen Stall zurückfand und würde einfach drauflosreiten.“
“Ik vertrouwde erop dat een paard altijd naar zijn stal terugvond en zou gewoon losrijden.”