
passeren- (voedsel) door een zeef halen om tot een gelijkmatigere consistentie te komen
(Speise) durch ein Sieb geben, um zu einer gleichmäßigeren Konsistenz zu kommen
doorkomen- binnenkomen of binnenrijden en weer naar buiten gaan of rijden
reinkommen/reinfahren und wieder rausgehen/rausfahren